|
Het belangrijkste bestanddeel van chocola is cacao dat
van de cacaoboom komt. Deze boom, die wel 12 tot 15 meter
hoog kan worden, groeit in landen met een tropisch klimaat
zoals Brazilië, Mexico, Ghana, Venezuela of de Ivoorkust.
In de grote ovaalvormige vruchten zitten 20 tot 50 cacaobonen.
Na de oogst, twee maal per jaar, worden de vruchten gespleten.
Heel voorzichtig worden de boontjes er uitgehaald en onder
bananenbladeren gelegd om te gisten. Dit proces is erg belangrijk
voor de kwaliteit van de cacao omdat tijdens het gisten,
dat afhankelijk van de soort boon ongeveer zes dagen duurt,
de kiemkracht wordt gestopt en er reacties op gang komen
waardoor de bittere smaak verdwijnt. Na die paar dagen heeft
de boon haar karakteristieke aroma ontwikkeld en zijn de
blanke boontjes bruin geworden. Ze zijn klaar om geëxporteerd
te worden naar fabrieken in Noord Amerika en Europa waar
de bonen worden schoongemaakt, gesorteerd, geroosterd en
gepeld. Dan worden ze zeer fijn gemalen en tot een dikke
vloeistof, de cacaomassa, verwerkt. Deze massa is de basisgrondstof
voor alle chocoladeproducten en wordt door middel van 'persen'
gescheiden in cacaoboter en vaste cacao. Deze vaste cacao
wordt weer tot poeder gemalen en gezeefd.
Volgens de Nederlandse Warenwet mag iets chocolade heten
als er tenminste 32% cacao in voorkomt. Melkchocolade moet
tenminste 34% cacaopoeder bevatten, voor puur geldt 54%
en voor extra bitter 65%. In witte chocolade is geen korrel
cacao te ontdekken, er zit alleen cacaoboter in, maar omdat
de structuur en de smaak op gewone chocolade lijken, mag
het toch chocolade genoemd worden.
Alle soorten chocolade worden in principe op dezelfde manier
gemaakt. Het verschil zit hem in de boonsoort, de verhouding
van de ingrediënten en de toevoegingen, het geheim
van de smid. Geen chocolademaker die dat zal onthullen
|